Akkoord over aanvullende pensioenen

Door: Marc Verboom | Op: 25/10/2015

Op 14 oktober werd een compromis bereikt over de herziening van de aanvullende pensioenen. De regering heeft ondertussen laten weten dit akkoord onverkort uit te voeren.

Het resultaat van het overleg volgt 3 principes die BBTK voor het overleg had voorop gesteld:
  1. geen contractbreuk ten aanzien van de reeds gestorte premies tot op heden;
  2. een garantie op een voldoende opbouw van het aanvullend pensioen in de toekomst;
  3. overgangsmaatregelen met betrekking tot de verhoging van de opnameleeftijd.

Het uiteindelijk resultaat is veel beter dan de oorspronkelijke voorstellen van de verzekeringsmaatschappijen, werkgevers én de regering. Door het dossier in de handen van de sociale partners te houden werd vermeden dat deze regering ook hier weer drastisch zou snoeien in de rechten van de werknemers.

De impact van de nieuwe reglementering hangt af van de soort pensioentoezegging die is overeengekomen. Daarom eerst toelichting omtrent de verschillende mogelijkheden.

Soorten aanvullende pensioentoezeggingen

Er bestaan 2 grote systemen van aanvullende pensioentoezeggingen. Het onderscheid is van belang omdat de wettelijke rendementsgarantie enkel van toepassing is op de vaste bijdrageplannen. Zij maken de overgrote meerderheid (meer dan 75%) van de aanvullende pensioenstelsels uit.

Bij vaste prestatieplannen (of defined benefit) belooft de werkgever (of de sector) een aanvullend pensioenkapitaal dat onafhankelijk is van de reële beleggingsresultaten. Een typische belofte is bijvoorbeeld x aantal keer het laatste jaarsalaris. Voor deze plannen is de wettelijke rendementsgarantie van geen belang. Voor deze vaste prestatieplannen of te bereiken doelplannen verandert er dus niets.
 
Bij vaste bijdrageplannen (of defined contribution) draagt de werkgever (of de sector) en eventueel ook de werknemer een percentage (of een forfaitair bedrag) van het loon af aan een verzekeraar of een pensioenfonds die deze bijdragen vervolgens belegt. Het uiteindelijk aanvullend pensioen is afhankelijk van de behaalde beleggingsrendementen. Op dit moment voorziet de Wet op de Aanvullende Pensioen (WAP) in een wettelijke rendementsgarantie van 3,25% op de werkgeversbijdragen en 3,75% op de werknemersbijdragen. Wanneer de beleggingsrendementen door de verzekeraars en de pensioenfondsen niet behaald worden, moeten de werkgevers het verschil bijpassen.

Verzekeraars, werkgevers en regering pleitten voor het afschaffen van de wettelijke rendementsgarantie van 3,25 en 3,75% omwille van de momenteel lage marktrente en wilden de rendementsgarantie zo laag mogelijk houden.

Geen contractbreuk

Voor de opgebouwde reserves tot 31/12/2015 verandert er niets. Het huidig gegarandeerd rendement van 3,25 en 3,75% blijven hierop van toepassing.

Overgang naar variabele rendementsgarantie

Volgens het akkoord zal voor de bijdragen (zowel werkgevers- als werknemersbijdragen) vanaf 1 januari 2016 overgestapt worden naar een variabele rendementsgarantie op basis van het rendement op lineaire overheidsobligaties (OLO's) op 10 jaar (gemiddelde van de laatste 24 maanden) en als volgt geprogrammeerd:


                                            rendementsgarantie                                                                 
tot 1/1/2016 3,25% werkgeversbijdragen
3,75% werknemersbijdragen
1/1/2016 - 31/12/2017 65% rendement OLO (minimum 1,75 en maximum 3,75%)
1/1/2018 - 31/12/2019 75% rendement OLO (minimum 1,75 en maximum 3,75%)
vanaf 1/1/2020 85% rendement OLO (minimum 1,75 en maximum 3,75%)
 

Een minimum rendement van 1,75% wordt gegarandeerd indien het rendement van de OLO's lager ligt.

In normale marktomstandigheden zal de rendementsgarantie (berekend op 85% van de OLO's) de huidige 3,25% moeten benaderen. Op die manier blijven de verliezen naar de toekomst beperkt.

Onderstaande simulatie geeft het pensioenkapitaal op 65 jaar voor Jeroen, Nadia en Jan die op 25 jaar in een aanvullend pensioenplan zijn gestapt met een bijdrage van 1,38% op hun loon en dit volgens het bestaande systeem (rendementsgarantie van 3,25 en 3,75%) en het nieuwe systeem (variabele rendementsgarantie met minimum 1,75 en maximum 3,75%).


  Jeroen
25 jaar
bruto 2.500 €
1,38%                      
Nadia
40 jaar
bruto 4.000 €
1,38%                               
Jan
55 jaar
bruto 5.500 €
1,38%                                    

oud systeem: 3,25%
                                     
47.920 € 61.275 € 67.244 €

nieuw systeem
2016 - 2017: 1,75%
2018 - 2019: 2,50%
vanaf 2020: 3,00%
43.826 € 59.123 € 66.693 €

 

Overlijdensdekking

De meeste aanvullende pensioenplannen voorzien naast een pensioenluik ook een uitkering bij het overlijden van de werknemer. Hierdoor kunnen de erfgenamen genieten van de aanvullende spaarpot die werd opgebouwd. Het probleem is dat die overlijdensdekking vaak wegvalt wanneer werknemers uit dienst treden (er worden dan immers geen bijdragen meer betaald), om volgens het technisch jargon "slaper" te worden. Dat gebeurt na ontslag door de werkgever, indien men zelf ontslag neemt of het bedrijf verlaat om in SWT (brugpensioen) te gaan of het vervroegd wettelijk pensioen op te nemen. Men kan dan een individuele overlijdensdekking onderschrijven die echter heel duur is. Of men kan zijn reserves overhevelen naar een zogenaamde "onthaalstructuur" waardoor echter het latere kapitaal drastisch wordt aangetast. Men moet hiertoe als werknemer zelf de nodige stappen nemen.

In de toekomst zal voor de nieuwe "slapers" vanaf 1/1/2016 een standaard overlijdensdekking worden voorzien en dit tegen een collectief tarief dat beduidend lager moet liggen dan het individueel tarief. Enkel voor de werknemers die er expliciet voor kiezen zal geen overlijdensdekking worden voorzien.

Opnameleeftijd

Op dit moment is het mogelijk om het aanvullend pensioen op te nemen vanaf de leeftijd van 60 jaar, op voorwaarde dat het pensioenreglement in die mogelijkheid voorziet. Let op: dit is niet altijd het geval. In vele gevallen wordt de wettelijke pensioenleeftijd, of een andere leeftijd, voorzien in de pensioenreglementen. De regering wil de opnameleeftijd nu afstemmen op de voorwaarden voor het vervroegd pensioen. Hierdoor zal de minimale opnameleeftijd in de toekomst opschuiven naar 63 jaar. De vakbonden hebben hier evenwel belangrijke bijsturingen bekomen:
  • werknemers die voldoen aan de voorwaarden om op vervroegd pensioen te gaan en die doorwerken, kunnen nog steeds het aanvullend pensioenkapitaal op vroegere leeftijd opnemen;
  • werknemers geboren in 1958 of vroeger kunnen hun pensioenkapitaal nog steeds op de leeftijd van 60 jaar opnemen;
  • werknemers die op SWT (brugpensioen) gaan vanaf ten vroegste 55 jaar in het kader van een sociaal plan (afgesloten en neergelegd voor 1 oktober 2015) kunnen hun pensioenkapitaal nog steeds op de leeftijd van 60 jaar opnemen.

Conclusie

In vergelijking met het ultieme voorstel van de werkgevers en wat de regering op basis van de voorstellen van de verzekeraars en werkgevers had kunnen beslissen zijn we beter af met het resultaat van deze onderhandelingen:
  • geen contractbreuk t.a.v. reeds opgebouwde rechten (= behoud van rendementsgarantie van 3,25 en 3,75% op gestorte bijdragen tot en met 31/12/2015);
  • garantie t.a.v. toekomstige bijdragen en dit tussen minimum- (1,75%) en maximumrendement (3,75%); uit het verleden blijkt dat het gemiddelde van deze variabele rente op lange termijn niet veel afwijkt van de huidige 3,25%;
  • overgangsmaatregelen t.a.v. de verhoging van de opnameleeftijd;
  • een overlijdensdekking voor nieuwe "slapers" vanaf 1/1/2016 en dit zonder medisch onderzoek en aan een lager en collectief tarief dan het huidige individuele tarief.


« nieuws overzicht | meer uit deze rubriek