Indexering lonen: hoe, wanneer en voor wie?

Door: Marc Verboom | Op: 11/08/2009

Hoe zit de loonindexering in de privésector in mekaar?

De laatste tijd maakt de inflatie bokkensprongen. In de loop van 2008 kenden we een uitzonderlijk hoge inflatie (van bijna 4,5% op jaarbasis). Sinds begin dit jaar, als gevolg van de financiële en economische crisis, is de inflatie ineengestort en zelfs negatief geworden (= deflatie). Volgens de laatste prognoses van het Planbureau zullen de komende maanden nog steeds in het teken staan van een lichte deflatie.

Het loon van de werknemers wordt via de loonindexering aangepast aan de evolutie van de inflatie. Op deze manier wenst men de koopkracht van de werknemers te behouden.

Met de bokkensprongen in de inflatie komen er heel wat vragen naar boven:
  • is de loonindexering in de privésector verplicht voor alle werknemers?
  • is het mogelijk dat sommige bedienden in een periode van inflatie geen enkele indexering van hun loon hebben?
  • is een vermindering van het loon als gevolg van deflatie mogelijk?
  • kan een bediende bij individuele overeenkomst afzien van de indexering van zijn loon?

1. Algemene uitgangspunten

De indexering van de lonen in de privésector is niet per wet geregeld. Voor de privésector bestaat er in België immers geen wet die een koppeling van het loon aan de evolutie van de index oplegt of die het mechanisme hiervan omschrijft.

Het niveau waarop de indexering van de lonen plaatsvindt en het indexeringsmechanisme wordt beschreven is het sectoraal en/of bedrijfsniveau. Dit betekent m.a.w. dat de sectorale akkoorden (CAO's) of bedrijfsakkoorden moeten geraadpleegd worden om het indexeringsstelsel te kennen dat voor de bediende van toepassing is. Het moment van indexering en de wijze waarop verschilt dan ook van sector tot sector (zie verder).

Ongeacht de indexeringswijze die in de sector wordt toegepast verloopt de indexering van de lonen op basis van de afgevlakte gezondsheidsindex. De gezondsheidsindex werd ingevoerd door het KB van 24 december 1993 met de bedoeling om de indexering van de lonen (en de sociale uitkeringen) te vertragen. De gezondheidsindex is afgeleid van de index der consumptieprijzen die de evolutie van de prijzen van alle goederen en diensten weergeeft. De FOD Economie berekent maandelijks de index der consumptieprijzen en de gezondheidsindex. De waarde van de gezondheidsindex wordt verkregen door bepaalde producten uit de korf van goederen en diensten te halen. Het gaat meer bepaald om alcoholische dranken, tabak, en brandstof (met uitzondering van LPG). Bijgevolg evolueert de gezondheidsindex minder snel dan de index der consumptieprijzen. Om de loonindexering te bepalen wordt sinds 1994 niet langer de gezondsheidsindex als basis genomen maar wel de afgevlakte gezondsheidsindex. Dit is de gemiddelde waarde van de gezondheidsindex van de laatste 4 maanden. Hierdoor treedt de volle uitwerking van een stijging (of daling) van de gezondsheidsindex met vertraging van 3 à 4 maanden op en wordt de aanpassing van de lonen vertraagd.

Er bestaat dus een veelheid aan CAO's die de indexering regelen en het indexeringsmechanisme voorzien. We kunnen 2 grote soorten indexeringsmechanismen onderscheiden:
  • indexeringen op basis van de overschrijding van een spilindex;
  • indexeringen op een vaste datum.

Bij systemen met een spilindex worden de lonen aangepast wanneer de spilindex bereikt of overschreden wordt. In de meeste sectoren bedraagt het verschil tussen 2 spilindexen 2%. Dus worden de lonen na overschrijding van de spilindex met 2% geïndexeerd. In andere sectoren bestaat echter een kleiner interval tussen de spilindexen (in de logistiek (PC 226) is het 1,4% en in de kleinhandel in voedingswaren (PC 202.00) is het 1%) en vindt dus een snellere indexering plaats.

Bij systemen met een indexering op een vaste datum worden de lonen aangepast op een vaste datum met het percentage van stijging van de referentiespilindex. De jaarlijkse indexering wordt ondermeer toegepast in het ANPCB (PC 218), de metaalindustrie (PC 209), de voedingsindustrie (PC 220), de non-ferro industrie (PC 224), verzekeringen (PC 306), ... In andere sectoren is de periode dan weer korter : 6 maanden in de papier- en kartonindustrie (PC 222) en de kleidng en confectieindustrie (PC 215) en 2 maanden in de spaarbanken (PC 308), beursvennootschappen (PC 309) en banken (PC 310). 


2. Is de loonindexering verplicht voor alle bedienden?

In tegenstelling tot de gangbare opvattingen is het antwoord op deze vraag NEEN.

Zoals eerder al aangegeven vinden de indexeringsregels in de privésector immers hun oorsprong in een sectorale CAO of bedrijfsakkoord. Dit betekent dat de werknemer die tewerkgesteld is bij een werkgever die van geen enkel paritair comité afhangt of die van een paritair comité afhangt dat geen regels over de indexering heeft opgesteld geen enkel recht heeft op een indexering. De enige mogelijkheid is afspraken of een akkoord te maken op bedrijfsvlak. Wel moet steeds in aanmerking genomen worden dat het gemiddeld minimum maandinkomen volgens CAO 43 (dat wel is gekoppeld aan de index) gerespecteerd wordt.

Daarnaast moet, voor de sectoren en/of bedrijven waar een indexeringsmechanisme bestaat, gekeken worden naar het toepassingsgebied van de CAO. De CAO betreffende de indexering kan van toepassing zijn:
  • op alle bedienden én kaderleden;
  • op uitsluitend de "baremieke" bedienden (= bedienden waarvan de functie volgens de functieclassificatie behoort tot één van de beschreven klassen). 

De indexering kan van toepassing zijn:
  • op alleen de baremalonen (uitsluitend op de lonen die moeten betaald worden volgens het barema);
  • op de baremalonen en werkelijke lonen (dus ook voor de lonen die hoger liggen dan het voorziene barema).


3. Kan het loon verminderen in geval van deflatie?

In tegenstelling tot bepaalde foute veronderstellingen en opvattingen is het antwoord op deze vraag JA.

Uit nazicht blijkt dat de grote meerderheid van de sectoren voorziet in de hypothese van een neerwaartse indexering ingeval van deflatie en dus in een neerwaartse loonaanpassing.

In de sectoren waar het indexeringsmechanisme gebaseerd is op de evolutie met 2% of op een jaarlijkse indexering op een vaste datum is die mogelijkheid in de praktijk eerder klein. Een deflatie zal immers niet gauw vele maanden lang aanhouden.

In de sectoren die daarentegen een tweemaandelijkse indexering voorzien (financiële sectoren) of een kleiner percentage is de hypothese wel realistisch en is dit zelfs onlangs realiteit geworden (in de sector banken was er in mei en juli 2009 een negatieve indexering met respectievelijk 0,0180% en 0,3861%).


4. Kan een bediende bij individuele overeenkomst afzien van de indexering?

Met de sterke inflatie die we in 2008 hebben gekend probeerden sommige werkgevers om de indexering niet te moeten betalen en legden de bedienden een akkoord ter ondertekening voor waarin ze zouden afzien van de indexering.

Dergelijke individuele overeenkomsten (waarin men afziet van de indexering) zijn onwettelijk indien de CAO, die in de indexering voorziet, algemeen bindend verklaard is (zoals bijna steeds het geval met de sectorakkoorden).

We moeten echter toegeven dat het een dunne grens is tussen het weigeren van een indexering bij individuele overeenkomst en het aanvaarden van een loonsvermindering bij individuele overeenkomst.

 

« nieuws overzicht | meer uit deze rubriek