Voor een sterke federale solidariteit

Door: Marc Verboom | Op: 19/03/2007

Het ABVV stelde een argumentatiedossier op tegen een verdere regionalisering van bepaalde bevoegdheden

1. Globale visie ABVV

De bestaansredenen van de vakbeweging en zeker van het ABVV is de organisatie van de solidariteit. De vakbeweging en zeker een socialistische vakbond is per definitie internationaal gericht en we werken volop mee aan de verdere uitbouw van een internationaal syndicalisme op Europees en op wereldvlak. Op Europees vlak willen we komen tot een verdieping van het sociaal model door de uitbouw van Europese collectieve onderhandelingen, de invoering van een betere sociale bescherming en de bestrijding van de fiscale concurrentie tussen de lidstaten door een Europees fiscaal beleid.

Wat we op internationaal vlak nog moeten opbouwen gaan we op federaal vlak niet afbouwen.

We stellen vast dat sommigen nieuwe stappen willen zetten in de regionalisering van de bevoegdheden. De bevoegdheidsafbakening tussen het federale niveau en de gewesten is een verantwoordelijkheid van de politieke wereld. Als vakbeweging zijn er 3 materies die ons direct aanbelangen omdat ze de federale solidariteit waarborgen. Hiervan zeggen we duidelijk dat die federaal moeeten blijven en dat daarop geen toegevingen mogen gebeuren:

  • de wet van 1968 over de paritaire comités en de collectieve arbeidsovereenkomsten;
  • het arbeidsrecht;
  • de sociale zekerheid.

2. Nieuwe stappen in de staatshervorming

Bijna alle Vlaamse politieke partijen, evenals de Vlaamse werkgeversorganisaties VOKA en VKW, maar ook UNIZO (die nochtans betrokken is in het federaal sociaal overleg) zijn vragende partij.

De voornaamste eisen hebben betrekking op bevoegdheidsoverdrachten van het federale niveau naar de gewesten inzake:

  • gezondheidszorgen;
  • kinderbijslag;
  • arbeidsmarktbeleid en werkloosheidsverzekering;
  • regionalisering van de loonvorming;
  • meer fiscale autonomie.

Welke argumenten worden ter ondersteuning van deze eisen (ondermeer) aangehaald ?

  • een versnippering van de bevoegheden betekent slecht bestuur en moet dus vervangen worden door homogene bevoegdheidspakketten;
  • het beleid moet zo dicht mogelijk bij de burgers staan;
  • de hefbomen voor het economisch beleid moeten volledig bij de gewesten liggen zodat die fiscale autonomie hebben;
  • verschillen in beleidsvoorkeuren (bv. inzake arbeidsmarktbeleid, eerstelijnsgezondheidszorg, ...) tussen regio's moeten volop kunnen gelden;
  • beter kunnen inspelen op verschillen in arbeidsmarktbeleid tussen de regio's betekent een volledige overheveling van het werklgelegenheidsbeleid en van de loonvorming;
  • de tranfers binnen de sociale zekerheid van Vlaanderen naar Wallonië zouden gestopt worden.

3. Onze tegenargumenten

3.1 arbeidsmarktbeleid

Een verdere splitsing van het arbeidsmarktbeleid is voor het ABVV onaanvaardbaar en bovendien niet nodig. Waarom ?

De situatie is verschillend van gewest tot gewest, maar ook tussen provincies en streken binnen éénzelfde gewest zijn er grote verschillen (bv. het aantal werklozen in Antwerpen en West-Vlaanderen is niet hetzelfde; ook het profiel van de werklozen (bv. duur, jongeren - ouderen, mannen-vrouwen, ...) is verschillend).

De regio's hebben vandaag al veel hefbomen en kunnen, in samenspraak met het federale niveau, eigen accenten leggen (bv. weerwerkpremies voor oudere werklozen, specifieke omlijsting knelpuntberoepen, ...).

Een overheveling van de werkloosheidsuitkeringen naar de regio's bestaat in geen enkel Europees land met een gefederaliseerde staatsstructuur.

Een verdere splitsing van het arbeidsmarktbeleid zou tot grote problemen leiden:

  • er zijn immers raakvlakken met de sociale zekerheid, brugpensioen, tijdskrediet en de bijhorende financiering en we wensen geen verdere uitholling van het interprofessioneel federaal overleg en van de arbeidsvoorwaarden;
  • eens de werkloosheidsuitkeringen zouden worden overgedragen naar de gewesten is de stap naar een overheveling van de sociale bijdragen en dus van de indirecte loonkosten niet ver af meer en wordt de stap naar overheveling van de loononderhandelingen gemakkelijker;
  • de complexiteit van het sociaal overleg in bedrijven die vestigingen hebben in verschillende regio's van ons land wordt compleet over het hoofd gezien.

Waar we wel willen over nadenken zijn de vragen zoals:

  • hoe kan het werkgelegenheidsbeleid doelmatiger georganiseerd worden ?
  • hoe kan de samenwerking tussen het federale en het regionale niveau verbeterd worden ?

3.2 regionalisering van de loonvorming

Regionalisering van de loonvorming is voor ons principieel onaanvaardbaar. We wensen geen grotere concurrentie tussen werknemers.

Een pleidooi voor de regionalisering van de loonvorming vertrekt bovendien van een gebrekkige kennis van de situatie:

  • de (indicatieve) loonnorm biedt al lang ruimte voor verscheidenheid naargelang de sectoren;
  • de verschillen in productiviteit worden niet verklaard door gewestelijke verschillen, maar door sectorale kenmerken (studies tonen aan dat de productiviteit voor 97% wordt bepaald door de sector en dat de regio slechts in beperkte mate bepalend is);
  • het gewicht van de loononderhandelingen ligt net op het niveau van de sectoren en niet op het federaal niveau (een regionalisering van het loonoverleg geeft geen antwoord op de sectorale verschillen);
  • binnen de sectoren is er bovendien ook ruimte voor gedecentraliseerde onderhandelingen (provinciale CAO's in de metaalsector, CAO's in de social profit in Vlaanderen en Wallonië);
  • in sommige sectoren ligt het zwaartepunt op ondernemingsvlak;
  • een federale interprofessionele indicatieve loonnorm kan rekening houden met de globale federale context, hetgeen niet belet dat er ruimte is voor een aanvullend regionaal inkomensbeleid.

3.3 sociale zekerheid

Het is een verkeerd uitgangspunt om tranfers in het kader van de sociale zekerheid te beoordelen vanuit een verdeling tussen de gewesten. Sociale zekerheid gaat over solidariteit tussen personen en niet tussen gewesten.

Transferstromen zijn overigens omkeerbaar. De vergrijzing van de bevolking zal veel meer en vlugger voelbaar zijn in Vlaanderen dan in Wallonië en dan zeker in Brussel. Het aandeel van de Vlamingen in de Belgische bevolking zou in 2050 dalen tot 55,4% (nu 58%). Het aandeel van Wallonië stijgt van 32,6% naar 34,5% en dat van Brussel van 9,4% naar 10,1%. De afhankelijkheidsgraad (= het aantal 65-plussers gedeeld door het aantal potentieel actieven tussen 20 en 59 jaar) situeert zich vandaag in Vlaanderen op 30,8%. Dit betekent dat er voor 1 oudere iets meer dan 3 actieven zijn. In 2050 zullen er in Vlaanderen iets minder dan 2 actieven zijn voor 1 65-plusser.

Er is geen sprake van systematische overconsumptie in een bepaalde regio. Inzake gezondheidszorgen bedraagt het aandeel van Vlaanderen 57,25% (voor een bevolkingsaandeel van 57,9%) terwijl dit voor Wallonië 33,09% (voor een bevolkingsaandeel van 32,53%) bedraagt. Er werd ook duidelijk bewezen dat er van overconsumptie in Wallonië geen sprake is, noch op het gebied van gezondheidszorgen, noch op dit van de sociale zekerheid in het algemeen. Wallonië heeft wel een groter aandeel van de uitgaven voor kinderbijslag dan zijn bevolkingsaandeel. De verhoogde kinderbijslag voor werklozen wordt vooral in Wallonië uitbetaald, terwijl de sociale toeslagen voor gepensioneerden vooral in Vlaanderen te vinden zijn. Voor de werkloosheidsuitkeringen is er wel een groot verschil. Maar in Wallonië zijn er ook driemaal zoveel werklozen dan in Vlaanderen. In andere catergorieën worden er verhoudingsgewijs meer Vlaamse werknemers geteld (bv. bruggepensioneerden, werknemers in tijdskrediet, ...). Wat de pensioenen betreft blijkt dat de spreiding tussen pensioenen en inwoners momenteel nagenoeg gelijk is. In de toekomst zal een groter deel van de pensioenuitgaven naar Vlaanderen gaan omwille van de vergrijzing.

Interprofessionele solidariteit ligt ten grondslag van alle sociale zekerheidsstelsels. De sociale zekerheid wordt gefinancierd in functie van de draagkracht van eenieder. Als gevolg van de hogere werkgelegenheidsgraad en het hoger gemiddelde inkomen is de draagkracht momenteel hoger in Vlaanderen dan in Wallonië. Maar is het verantwoord om op die basis een rechtvaardige return op te eisen ? Hoewel onze sociale zekerheid in sterke mate gebaseerd is op het verzekeringsprincipe hebben de solidariteitsprestaties steeds een belangrijker plaats ingenomen via de veralgemening van de gezondheidszorg of het groeiend belang van de afgeleide rechten.

Bepaalde takken uit de sociale zekerheid halen betekent de afbouw ervan. De samenhang binnen de sociale zekerheid is belangrijk en heeft aan belang gewonnen sedert de invoering van het globaal beheer ervan. Er bestaat bijgevolg een solidariteit binnen de diverse takken van de sociale zekerheid. De samenhang zal onontbeerlijk zijn om de uitdaging van de vergrijzing het hoofd te bieden. De Vergrijzingscommissie wijst erop dat de groei van de gezondheidszorgen en de pensioenuitgaven tegen 2030 gedeeltelijk moet gecompenseerd worden door de dalende trend in de uitgaven voor werkloosheid en kinderbijslag.

Tranfers kunnen ook op een lager niveau dan dit van de gewesten bekeken worden. Als de herverdeling op provinciaal niveau bekeken wordt dan zijn niet alle Waalse provincies netto ontvangers. Waals Brabant draagt meer bij dan het terugkrijgt. West-Vlaanderen krijgt meer terug dan het bijdraagt. 6 van de 8 West-Vlaamse arrondissementen ontvangen meer dan ze bijdragen. Enkel Brugge en Kortrijk dragen netto bij.

De omvang van de transfers ligt volgens onderzoek in het federale België niet hoger dan in andere federale staten. Als we ervan uitgaan dat de tranfers vanuit Vlaanderen 4,2% bedragen dan is dit vergelijkbaar of lager dan de solidariteit binnen regio's in vele andere Europese landen, hetgeen kan aangetoond worden met volgende voorbeelden:

  • transfert van West-Duitsland naar Oost-Duitsland : 4%;
  • transfert van Ile-de-France naar Nord-Pas-de-Calais : 6%;
  • transfert van South East England naar Wales & North West : 8%;
  • transfert van Catalonië naar Zuid-Spanje : 8,5%;
  • transfert van Stockholm naar het Hoge Noorden : 7,6%.

Tranfers zorgen ook voor een ondersteuning van de koopkracht in Wallonië, dat de belangrijkste handelspartner van Vlaanderen is.

De sociale zekerheid wordt best op het hoogste beleidsniveau binnen een federale staat georganiseerd. Denk maar aan de beperkingen van de Vlaamse zorgverzekering die tot onzinnige situaties leidt: alle inwoners van alle Europese lidstaten die in Vlaanderen wonen hebben er recht op maar onze Waalse landgenoten niet.

De toekomst van de sociale zekerheid is voor een groot deel afhankelijk van de sterkte van de economie. Het is juist dat Wallonië haar oude industire ziet aftakelen. Beide regio's hebben echter nood aan een nieuw industrieel beleid met veel meer ruimte voor innovatie en een verhoging van de productiviteit. Daarom moeten we de krachten bundelen. Dergelijke samenwerking zou onze gezamenlijke positie in een geglobaliseerde wereld versterken en is de beste waarborg om op termijn financiële transfers te vermijden. Er is binnen de Belgische staat dus meer nood aan samenwerking tussen de regio's dan aan het organiseren van extra concurrentie tussen de regio's via fiscaliteit of loonkosten.

3.4 fiscaliteit

Ook de roep voor verdere regionalisering van de fiscaliteit steunt niet op geloofwaardige argumenten en roept fundamentele bedenkingen op.

Op Europees niveau woedt een belastingconcurrentie die zich de laatste jaren vooral toespitst binnen de vennootschaspbelasting. Er ontstond een kettingreactie van tariefverlagingen en in sommige landen is er discussie over de invoering van een "vlaktaks" (een belastingsysteem met maar één % voor iedereen). De Europese vakbeweging wil deze neerwaartse spiraal stoppen door de invoering van een Europese minimumbelasting op een voldoende hoog niveau waaronder het tarief van de vennootschapsbelasting niet kan dalen. Het is dan ook niet aanvaardbaar dat in eigen land de belastingconcurrentie tussen de gewesten zou worden aangewakkerd door een regionalisering van de vennootschapsbelasting of de invoering van het recht op afcentiemen.

Het pleidooi voor fiscale autonomie in de vennootschapsbelasting is een uitgesproken conservatieve eis van diegenen die belastingconcurrentie willen hanteren als een instrument om de overheidsuitgaven te drukken en van diegenen die geloven dat minder belastingen een voldoende voorwaarde is voor meer groei en werkgelegenheid. Er bestaan voldoende studies die het tegendeel bewijzen.

Een regionalisering van het fiscaal beleid kan ook tot problemen leiden. Zo moesten begeleidende maatregelen op het federale niveau vermijden dat de Vlaamse korting op de personenbelasting een negatieve invloed zou hebben op de situatie van Vlaamse deeltijdse werknemers met een inkomensgarantie-uitkering.

Diegenen die aansturen op echt separatisme hebben blijkbaar nog niet nagedacht over de gevolgen ervan. Voor de personenbelasting zou de belasting in "het land van tewerkstelling" (bv. Brussel) gebeuren hetgeen voor "het land van residentie" (bv. Vlaanderen) tot zware fiscale minderontvangsten zou leiden.

 

« nieuws overzicht | meer uit deze rubriek