Ontwerp van interprofessioneel akkoord

Door: Marc Verboom | Op: 20/01/2005

BBTK niet enthousiast over nieuw interprofessioneel akkoord voor de periode 2005 - 2006

Op 18 januari 2005 bereikten werkgevers en vakbonden, na aanslepende en moeilijke onderhandeligen, een akkoord over een ontwerp van interprofessioneel akkoord (IPA) voor de volgende 2 jaar (2005 en 2006).

We belichten de voornaamste punten en geven commentaar bij een eerste lezing :

1. loonnorm

Er is sprake van een "indicatieve" loonnorm van 4,5 %. Indicatief wil zeggen dat in de sectoren en bedrijven een hogere (maar ook een lagere) loonmarge kan worden onderhandeld. De betrokken sociale partners doen een oproep om de looneisen in de sectoren en bedrijven te matigen.
De loonnorm van 4,5 % omvat de inflatie (via indexering) en voor de bedienden ook de baremieke verhogingen.

De loonmarge van 5,3 % zoals vooropgesteld in het verslag van de Centrale Raad voor het Bedrijfsleven wordt niet gehaald. De inflatie voor de volgende 2 jaar wordt door de CRB geschat op 3,3 %. Reken daar (voor de bedienden) nog eens de baremieke verhogingen bij van 0,5 à 1 % op 2 jaar en men komt aardig in de buurt van 4,5 %. In het verleden is het altijd moeilijk (maar niet onmogelijk) gebleken om een indicatieve loonnorm in de sectoren en bedrijven te overschrijden.

2. vorming en opleiding

Het IPA vraagt enkel vage en algemene engagementen van de werkgevers in verband met de permanente opleiding van de werknemers. Het herbevestigt de afspraken van de Werkgelegenheidsconferentie van oktober 2003.

In dit dossier wordt geen vooruitgang geboekt, bijvoorbeeld door het instellen van een vormingsrecht voor elke individuele werknemer.

3. arbeidsorganisatie - flexibiliteit

Het IPA wijzigt de bestaande wetgeving inzake overuren. Het gaat enkel om overuren die gepresteerd worden in het kader van "buitengewone vermeerdering van het werk" en ten gevolge van "onvoorziene omstandigheden" en omvat in hoofdzaak 3 maatregelen :
  • voor de eerste 65 overuren op jaarbasis zou de werknemer de keuze hebben tussen uitbetaling en recuperatie van de overuren (momenteel kunnen overuren, buiten de loontoeslag, enkel gerecupereerd worden); de procedure van de voorafgaandelijke goedkeuring voor het presteren van overuren door de vakbondsafvaardiging blijft van toepassing; indien de werknemer kiest voor uitbetaling van deze eerste 65 overuren is hieraan een fiscaal voordeel verbonden voor zowel de werknemer als de werkgever (elk 16,5 %);
  • het totaal aantal overuren op jaarbasis kan van 65 tot maximaal 130 uitgebreid worden; ook hier kan de werknemer eventueel kiezen tussen recuperatie of uitbetaling (als een CAO het toelaat - zie verder) maar dit keer zonder fiscaal voordeel;
  • de interne grens van 65 overuren kan op 130 gebracht worden, hetgeen inhoudt dat binnen het jaar eerst 130 overuren kunnen gepresteerd worden vooraleer er sprake is van recuperatie.
De kost van het fiscaal voordeel wordt geraamd op € 80 miljoen.

Opdat de wijzigingen onder het 2 en 3de punt een concrete uitwerking zouden krijgen op sectorvlak of in de bedrijven voorziet het IPA in een (nog uit te werken) procedure. De wijzigingen kunnen enkel mits :
  • een CAO op sectoraal vlak die alle modaliteiten regelt;
  • een CAO op sectorvlak die een kader vastlegt voor de ondernemingen van de sector;
  • de sociale partners in de sector bepalen dat de materie naar de ondernemingen wordt doorverwezen.
Indien er voor 1 oktober 2005 geen sectoraal akkoord tot stand komt kan een overeenkomst gesloten worden in de bedrijven met een vakbondsafvaardiging of indien er geen vakbondsafvaardiging bestaat via een wijziging van het arbeidsreglement. Het akkoord moet in elk van de gevallen eerst ter goedkeuring voorgelegd worden aan het paritair comité van de sector waartoe de onderneming behoort.

In de praktijk komt het laten uitbetalen van de overuren neer op een verlenging van de arbeidsduur en is dus contraproductief voor de tewerkstelling in een tijd waar de werkloosheid hoog blijft. Het aspect van de recuperatie kan volgens de individuele keuze van de werknemer komen te vervallen. Dit zal de stress opvoeren. De bestaande wetgeving (met verplichte recuperatie) was ingegeven vanuit de redenering dat na een periode waarin overuren gepresteerd werden een rust- of recuperatieperiode moest worden ingebouwd.

4. verhoging van lage lonen

Een verhoging van de laagste netto lonen wordt in het vooruitzicht gesteld (zonder concrete timing) en dit andermaal via de techniek van de verlaging van de sociale bijdragen. Hiervoor zou de regering € 40 miljoen moeten vrijmaken om te voorzien in een alternatieve financiering als compensatie voor de minder-ontvangsten voor de sociale zekerheid.

De werkgevers nemen hun verantwoordelijkheid niet op en schuiven de financiering door via de sociale zekerheid (bijdrageverminderingen) naar de gemeenschap (alternatieve financiering).

5. ploegenarbeid

Ploegenarbeid wordt aantrekkelijker gemaakt via een fiscaal gunstregime ten voordele van de werkgevers (de reeds beloofde vrijstelling van de bedrijfsvoorheffing wordt verhoogd van 1 tot 2,5 %). De kostprijs bedraagt € 120 miljoen.

Ook hier schuiven de werkgevers de lasten af op de gemeenschap.

6. brugpensioen

Via het IPA worden enkele stelsels van brugpensioen voor een periode van 2 jaar verlengd. Het gaat om :
  • het voltijds brugpensioen vanaf 56 jaar voor werknemers met een loopbaan van ten minste 33 jaar én 20 jaar nachtarbeid;
  • het voltijds brugpensioen vanaf 56 jaar voor arbeidsongeschikte bouwvakkers;
  • het halftijds brugpensioen vanaf 55 jaar.
Daarnaast is overeengekomen dat deze stelsels hoe dan ook na 2006 niet kunnen verlengd worden.

De discussie omtrent de andere brugpensioenstelsels is verwezen naar het eindeloopbaandebat tussen vakbonden, werkgevers en de regering tijdens het voorjaar 2005. Het IPA moest hier niets over zeggen daar deze stelsels gebaseerd zijn op overeenkomsten of wetten voor onbepaalde duur. De verlenging van de akkoorden brugpensioen vanaf 58 jaar zal in de komende maanden via de sectorale onderhandelingen moeten gebeuren. Afwachten hoe de sectorale werkgeversfederaties zullen reageren.

7. Fonds voor Sluiting van Ondernemingen

Het IPA voorziet dat vanaf 1 maart 2005 ook de werknemers uit kleinere bedrijven (tussen 20 en 10 werknemers) een beroep kunnen doen op het FSO ingeval van faling. Ook hiervoor levert de regering (en niet de werkgevers) een inspanning van € 7 miljoen.
Vanaf 1 maart 2006 zou dit uitgebreid worden voor de werknemers uit bedrijven van 10 tot 5 werknemers. Dit evenwel na evaluatie en rekening houdend met de financiële toestand van het FSO.

De verhoging van de loonplafonds voor de berekening van de tussenkomst van het FSO in geval van faillissement wordt uitgesteld tot eind 2005.

Dat ook werknemers uit kleinere bedrijven bij een faillissement een beroep kunnen doen op het FSO was een gerechtvaardigde eis. Dat deze gedeeltelijk is ingewilligd is toe te juichen. Dat de kost hiervoor door de werkgevers wordt afgeschoven op de gemeenschap is hoogst betreurenswaardig.
De loonplafonds voor de berekening van de tussenkomst van het FSO in geval van faling zijn al geruime tijd niet aangepast. Hierdoor kunnen (vooral) bedienden hun tegoeden (achterstallig loon, vakantiegeld uit dienst, eindejaarspremie, verbrekingsvergoeding, ...) van hun failliete werkgever vaak slechts gedeeltelijk recupereren via het FSO. Het uitstel van de verhoging van de loonplafonds tot eind 2005 is geen goed signaal.


8. toenadering arbeiders- en bediendenstatuut

In de inleiding van het IPA wordt gesteld dat : "De toenadering tussen het arbeiders- en het bediendenstatuut zal op termijn tot een nieuw gemeenschappelijk statuut moeten leiden in het kader van een nieuw globaal evenwicht. De sociale partners zijn het best geplaatst om dit op een passende wijze te laten verlopen met maatregelen die in principe op de toekomst zullen slaan. Zij zullen zich daarbij laten bijstaan door een door de sociale partners paritair samengestelde commissie die tegen eind 2005 een verslag m.b.t. een nieuw statuut zal uitwerken."

We kunnen "een nieuw globaal evenwicht" als BBTK niet anders interpreteren dan een aanval op het bediendenstatuut. Ons standpunt is en blijft dat een harmonisatie van de statuten geen afbreuk van het bediendenstatuut mag inhouden.

9. andere maatregelen

  • oproep aan overheden en werkgevers om meer aandacht te besteden aan onderzoek en ontwikkeling en aan de innovatiekracht van de ondernemingen (o.m. door experimenten met innovatiepremies);
  • verlenging van de inspanningen voor de risicogroepen en voor de financiering van het begeleidingsplan;
  • engagement om de paritaire comités 100 en 200 zo snel mogelijk te laten functioneren;
  • meer aandacht voor de tewerkstelling van minder-validen waarvoor de regering een budget ter waarde van € 5 miljoen ter beschikking stelt.
In totaal stelt de regering voor de verschillende elementen van het IPA een budget van € 252 miljoen (of meer dan 10 miljard oude Belgische frank) ter beschikking. Wie betaalt dus dit akkoord ?

Dit is een ontwerpakkoord. Het zal binnen de verschillende instanties van BBTK aan de basis worden voorgelegd. In de gegeven omstandigheden en rekening houdend met alle elementen van het ontwerpakkoord zullen de verantwoordelijken binnen BBTK dit voorleggen zonder het te verdedigen.


« nieuws overzicht | meer uit deze rubriek